Digitale soevereiniteit in de EU is niet zomaar een beleidsfrase, het is de cruciale verbinding tussen Europese autonome technologische keuzes en economisch concurrentievermogen in een uitdagende mondiale context. De recente keynote van Zach Meyers, Director of Research bij het Centre on Regulation in Europe (CERRE) tijdens de Microsoft European Digital Commitment Day liet dit zien en plaatste dit in het bredere debat over concurrentievermogen, technologische afhankelijkheid en Europese strategie.
De EU staat op een keerpunt waar strategische beslissingen over technologie zowel kansen als risico’s bepalen voor haar positie in de wereld. Terwijl andere regio’s groeien op basis van technologieinvesteringen en wereldmarktleider worden in AI, cloud en digitale infrastructuur, worstelt Europa met hoe het enerzijds afhankelijkheden kan terugdringen en anderzijds concurrentievermogen kan versterken.
Economische strategieën herzien
Europees competitiviteit staat onder druk door een combinatie van demografische uitdagingen, lage productiviteitsgroei en een zwakkere inzet van productiviteit verhogende technologieën vergeleken met de Verenigde Staten en China. Dit was ook de kern van het Draghi‑rapport dat door de Europese Commissie is aangevraagd om economische strategieën te herzien.
Meyers citeert vergelijkbare factoren: Europese bedrijven adopteren nieuwe technologieën zoals AI en cloud langzamer, wat zich vertaalt in lagere totale factorproductiviteit (TFP). Deze productiviteitsmaat zegt iets over hoe goed bedrijven technologie gebruiken om output te verhogen zonder extra arbeid of kapitaal.
Europa’s afhankelijkheid van non‑EU technologie is reëel
Dat betekent niets minder dan dat Europese bedrijven niet alleen meer technologie moeten kennen, maar die ook effectief moeten meten, gebruiken en integreren in bedrijfsprocessen om wereldwijde concurrentie te kunnen bijbenen.
Ongelijk verdeelde waardecreatie
Digitale soevereiniteit in de EU bevat meerdere lagen. Meyers onderscheidt ten minste vijf verschillende problemen binnen dit concept: afhankelijkheid van buitenlandse ICT‑leveranciers, datatoegangszorgen (zoals die rond de Amerikaanse Cloud Act), continuïteit van digitale services, bescherming van Europese waarden en ongelijk verdeelde waardecreatie in de digitale economie.
Europa’s afhankelijkheid van non‑EU technologie is reëel. In veel digitale infrastructuur‑segmenten domineren niet‑Europese spelers de markt, zoals cloud‑services van Amerikaanse hyperscalers. Europese leveranciers hebben vaak een bescheiden aandeel.
Dat roept vragen op: hoe veilig zijn Europese data en beslissingssystemen wanneer ze onderworpen zijn aan wetten van derde landen? Hoeveel van de economische waarde blijft eigenlijk binnen de EU?
Technologische autonomie vs. openheid
[Foto: tigerlily713 | Pixabay]
Meyers benadrukt dat het wantrouwen tegen buitenlandse technologie niet automatisch een goede strategie betekent. Een te radicale inzet op een ‘Europese technologische autonomie’ kan leiden tot een inefficiënte en dure replicatie van bestaande technologieën die wereldwijd al werken. Dat risico noemt hij een ‘autarkisch pad’, dat economisch en technologisch onhoudbaar is op lange termijn.
Daarom pleit hij voor een balans tussen openheid en selectieve autonomie. Europeanen moeten bereid blijven technologie van elders te adopteren om productiviteit te verbeteren, maar tegelijk strategische capaciteiten opbouwen in toekomstige of kritieke technologieën. Innovatie in AI, strategische investeringen in semiconductor‑ketens en doelgerichte Europese initiatieven zijn voorbeelden van zo’n offensieve strategie.
Eurostack
Een veelbesproken, maar ook omstreden, idee binnen EU‑discussies is de bouw van een volledige Europese tech stack (Eurostack), waarin Europa in elk segment van de keten eigen spelers creëert. Meyers waarschuwt dat dit een extreem kostbare en grootschalige aanpak is die politieke aandacht en middelen wegneemt van daadwerkelijke groeikansen.
Tegelijkertijd onderkennen EU‑beleidsrapporten dit probleem ook: strategische digitale infrastructuur moet versterkt worden en Europa moet industriële capaciteit ontwikkelen zonder te veel afhankelijk te worden van externe spelers.
Dit vraagt niet alleen publieke investeringen, maar ook een hervorming van kapitaalmarkten om tech start-ups en scale‑ups in Europa sneller te laten groeien. Het Europese ecosysteem moet aantrekkelijker worden voor investeerders, en minder gefragmenteerd zodat individuele landen niet telkens hun eigen regels creëren die groei verhinderen.
Evidence‑based digitale strategie
Een kernelement van Meyers’ betoog is dat Europa de risico’s voor digitale soevereiniteit beter moet kwantificeren om lopende beleidsinitiatieven te evalueren. Sommige risico’s zijn minder oplosbaar dan gedacht; globalisering betekent dat volledige autonomie praktisch onmogelijk is. Andere risico’s zijn wel concreet aan te pakken door middel van investeringen, onderwijs in digitale vaardigheden en een coherente strategie waarbij concurrentievermogen en autonomie elkaar versterken in plaats van uitsluiten.
Europa moet voorbij defensieve reflexen kijken
Het Draghi‑rapport en EU‑beleidskaders benadrukken bijvoorbeeld dat digitale vaardigheden in de EU tekortschieten en dat er nieuwe opleidingen en academies nodig zijn om de digitale transitie te versnellen.
Europa moet ambitieuzer zijn
Als de EU digitale soevereiniteit wil combineren met economisch concurrentievermogen, dan moet Europa voorbij defensieve reflexen kijken. Alleen technologie repliceren die elders al werkt is geen strategie voor de toekomst. Het gaat om een Europese offensieve digitale strategie waarin Europa technologisch kan concurreren, eigen waarden kan beschermen en tegelijkertijd mogelijk blijft samenwerken met internationale partners.
Dat vraagt moed, focus en een coherente Europese aanpak waarin beleidsmakers, bedrijven en investeerders met elkaar samenwerken om de EU te positioneren als een speler die niet alleen de regels schrijft, maar ook de technologie ontwikkelt die toekomstig concurrentievermogen bepaalt.
Meer concurrentievermogen door digitale soevereiniteit
Balans tussen concurrentie en autonomie
Digitale soevereiniteit in de EU is niet zomaar een beleidsfrase, het is de cruciale verbinding tussen Europese autonome technologische keuzes en economisch concurrentievermogen in een uitdagende mondiale context. De recente keynote van Zach Meyers, Director of Research bij het Centre on Regulation in Europe (CERRE) tijdens de Microsoft European Digital Commitment Day liet dit zien en plaatste dit in het bredere debat over concurrentievermogen, technologische afhankelijkheid en Europese strategie.
De EU staat op een keerpunt waar strategische beslissingen over technologie zowel kansen als risico’s bepalen voor haar positie in de wereld. Terwijl andere regio’s groeien op basis van technologieinvesteringen en wereldmarktleider worden in AI, cloud en digitale infrastructuur, worstelt Europa met hoe het enerzijds afhankelijkheden kan terugdringen en anderzijds concurrentievermogen kan versterken.
Economische strategieën herzien
Europees competitiviteit staat onder druk door een combinatie van demografische uitdagingen, lage productiviteitsgroei en een zwakkere inzet van productiviteit verhogende technologieën vergeleken met de Verenigde Staten en China. Dit was ook de kern van het Draghi‑rapport dat door de Europese Commissie is aangevraagd om economische strategieën te herzien.
Meyers citeert vergelijkbare factoren: Europese bedrijven adopteren nieuwe technologieën zoals AI en cloud langzamer, wat zich vertaalt in lagere totale factorproductiviteit (TFP). Deze productiviteitsmaat zegt iets over hoe goed bedrijven technologie gebruiken om output te verhogen zonder extra arbeid of kapitaal.
Dat betekent niets minder dan dat Europese bedrijven niet alleen meer technologie moeten kennen, maar die ook effectief moeten meten, gebruiken en integreren in bedrijfsprocessen om wereldwijde concurrentie te kunnen bijbenen.
Ongelijk verdeelde waardecreatie
Digitale soevereiniteit in de EU bevat meerdere lagen. Meyers onderscheidt ten minste vijf verschillende problemen binnen dit concept: afhankelijkheid van buitenlandse ICT‑leveranciers, datatoegangszorgen (zoals die rond de Amerikaanse Cloud Act), continuïteit van digitale services, bescherming van Europese waarden en ongelijk verdeelde waardecreatie in de digitale economie.
Europa’s afhankelijkheid van non‑EU technologie is reëel. In veel digitale infrastructuur‑segmenten domineren niet‑Europese spelers de markt, zoals cloud‑services van Amerikaanse hyperscalers. Europese leveranciers hebben vaak een bescheiden aandeel.
Dat roept vragen op: hoe veilig zijn Europese data en beslissingssystemen wanneer ze onderworpen zijn aan wetten van derde landen? Hoeveel van de economische waarde blijft eigenlijk binnen de EU?
Technologische autonomie vs. openheid
Meyers benadrukt dat het wantrouwen tegen buitenlandse technologie niet automatisch een goede strategie betekent. Een te radicale inzet op een ‘Europese technologische autonomie’ kan leiden tot een inefficiënte en dure replicatie van bestaande technologieën die wereldwijd al werken. Dat risico noemt hij een ‘autarkisch pad’, dat economisch en technologisch onhoudbaar is op lange termijn.
Daarom pleit hij voor een balans tussen openheid en selectieve autonomie. Europeanen moeten bereid blijven technologie van elders te adopteren om productiviteit te verbeteren, maar tegelijk strategische capaciteiten opbouwen in toekomstige of kritieke technologieën. Innovatie in AI, strategische investeringen in semiconductor‑ketens en doelgerichte Europese initiatieven zijn voorbeelden van zo’n offensieve strategie.
Eurostack
Een veelbesproken, maar ook omstreden, idee binnen EU‑discussies is de bouw van een volledige Europese tech stack (Eurostack), waarin Europa in elk segment van de keten eigen spelers creëert. Meyers waarschuwt dat dit een extreem kostbare en grootschalige aanpak is die politieke aandacht en middelen wegneemt van daadwerkelijke groeikansen.
Tegelijkertijd onderkennen EU‑beleidsrapporten dit probleem ook: strategische digitale infrastructuur moet versterkt worden en Europa moet industriële capaciteit ontwikkelen zonder te veel afhankelijk te worden van externe spelers.
Dit vraagt niet alleen publieke investeringen, maar ook een hervorming van kapitaalmarkten om tech start-ups en scale‑ups in Europa sneller te laten groeien. Het Europese ecosysteem moet aantrekkelijker worden voor investeerders, en minder gefragmenteerd zodat individuele landen niet telkens hun eigen regels creëren die groei verhinderen.
Evidence‑based digitale strategie
Een kernelement van Meyers’ betoog is dat Europa de risico’s voor digitale soevereiniteit beter moet kwantificeren om lopende beleidsinitiatieven te evalueren. Sommige risico’s zijn minder oplosbaar dan gedacht; globalisering betekent dat volledige autonomie praktisch onmogelijk is. Andere risico’s zijn wel concreet aan te pakken door middel van investeringen, onderwijs in digitale vaardigheden en een coherente strategie waarbij concurrentievermogen en autonomie elkaar versterken in plaats van uitsluiten.
Het Draghi‑rapport en EU‑beleidskaders benadrukken bijvoorbeeld dat digitale vaardigheden in de EU tekortschieten en dat er nieuwe opleidingen en academies nodig zijn om de digitale transitie te versnellen.
Europa moet ambitieuzer zijn
Als de EU digitale soevereiniteit wil combineren met economisch concurrentievermogen, dan moet Europa voorbij defensieve reflexen kijken. Alleen technologie repliceren die elders al werkt is geen strategie voor de toekomst. Het gaat om een Europese offensieve digitale strategie waarin Europa technologisch kan concurreren, eigen waarden kan beschermen en tegelijkertijd mogelijk blijft samenwerken met internationale partners.
Dat vraagt moed, focus en een coherente Europese aanpak waarin beleidsmakers, bedrijven en investeerders met elkaar samenwerken om de EU te positioneren als een speler die niet alleen de regels schrijft, maar ook de technologie ontwikkelt die toekomstig concurrentievermogen bepaalt.